Word abonnee

Vorkclausule, een leerzame casus

Een niet-volgetekende beurspolis, een premier-risquedekking en beursgebruiken. De door het gerechtshof ingeschakelde deskundigen raadplegen de opleiding Brandverzekeringstechniek van NIBE-SVV. Een leerzame casus met één rafelrandje.

Eerst maar even de feiten. Een bedrijf wil een brandverzekering sluiten. Gezien het risico - het gaat om een kaarsenfabriek - staan verzekeraars niet te springen. De beursmakelaar informeert de klant daarover. In overleg met de klant wordt afgesproken om de maximale verplichting van verzekeraars te beperken tot een lager bedrag dan de volledige herbouwwaarde. Aldus ontstaat een premier-risquedekking. In het co-assurantiebedrijf, waar partijen nog iets vaker dan in het provinciale bedrijf dol zijn op Engelstalige termen, wordt een premier-risquebepaling een 'loss-limitbepaling' genoemd. Ondanks deze bepaling lukt het de makelaar niet om de verzekering volgetekend te krijgen. Uiteindelijk tekenen 12 verzekeraars gezamenlijk voor 89,5 procent. Voor de resterende 10,5 procent kunnen geen verzekeraars gevonden worden. Op het polisaanhangsel van augustus 2002 staat:

  • een verzekerde som van 14.913.131 euro;
  • een loss limit van 7.500.000 euro;
  • een eigen risico van 5.000 euro.

In januari 2003 ontstaat vervolgens een brandschade van meer dan 10 miljoen euro. De gezamenlijke verzekeraars keren 89,5 procent van (7.500.000 euro minus het eigen risico van 5.000 euro) uit: 6.708.025 euro. En vervolgens ontstaat discussie over de vraag of de 12 verzekeraars gehouden zijn gezamenlijk de gehele loss limit (7.500.000 euro) uit te keren. U begrijpt: de verzekerde vindt van wel, want die vindt dat de 89,5 procent alleen geldt voor het bedrag van de volledige herbouwwaarde van 14.913.131 euro. De verzekeraars vinden van niet, want die vinden dat hun gezamenlijke percentage van 89,5 ook geldt voor de loss limit van 7.500.000 euro. Daar wordt vervolgens over geprocedeerd. Het Gerechtshof Amsterdam doet in juli 2018 (ruim vijftien jaar ná de schade) uitspraak (ECLI:NL:GHAMS:2018:2730).

Een loss-limitbepaling is hetzelfde als een premier-risquebepaling

De loss-limitbepaling

Bij een gewone premier-risquedekking doet de volle waarde niet terzake. Het premier-risquebedrag geldt alleen als uitkeringsmaximum. Denk bijvoorbeeld aan het maximumbedrag dat inboedelverzekeringen voor kostbaarheden kennen of aan de maximale vergoeding voor opruimingskosten (bij opruimingskosten valt natuurlijk ook geen volle waarde aan te geven). Dat soort premier-risquedekkingen is bij brandverzekering niet gebruikelijk voor een gebouw, een inventaris of een inboedel zelf.

Maar premier-risquedekkingen komen ook voor als maximale verplichting van verzekeraars bij een volle-waardeverzekering. In die gevallen vermeldt de polis zowel het premier-risquebedrag (als maximale verplichting van verzekeraars) als het volle-waardebedrag (als medemaatstaf voor de premieberekening). In jargon wordt dan over 'de vork' gesproken, afgeleid van het woord vorkclausule. (Waarbij elk van de twee verzekerde bedragen een tand van de vork representeren.) In de polisvoorwaarden wordt in die vorkclausule de werking van deze constructie uitgelegd. Die werking komt erop neer dat elke schade tot maximaal het premier-risquebedrag volledig wordt vergoed, zolang het volle-waardebedrag overeenstemt met de werkelijke volle waarde. Blijkt in geval van schade de werkelijke volle waarde hoger dan het volle-waardebedrag dat in de polis is vermeld, dan is er sprake van onderverzekering. (Er is dan ook te weinig premie betaald.) In dat geval wordt de schade pro rata vergoed in de verhouding: 'verzekerde volle waarde'/'werkelijke volle waarde'. Met als maximum natuurlijk het premier-risquebedrag.

Bij brandverzekeringen is de toepassing van een dergelijke 'vork' eigenlijk alleen gebruikelijk als de verzekerde na schade niet het volle-waardebedrag nodig heeft om een nieuw gebouw neer te zetten dat even functioneel is als het oude gebouw. Dat doet zich vooral voor bij sterk verouderde gebouwen of gebouwen die oorspronkelijk voor andere doeleinden waren gebouwd. Denk bijvoorbeeld, maar niet alleen, aan een oud fabrieksgebouw, dat in deze tijd nooit meer op dezelfde wijze gebouwd zou worden. Bij een kleinere schade vindt dan wel gewoon herstel plaats, maar bij een heel grote schade kan dan worden volstaan met het lagere bedrag voor een nieuw en even functioneel (of zelfs functioneler) gebouw.

De casus waar het hier om gaat, lijkt daar sterk op. Met één verschil. In dit geval was de achtergrond van de premier-risquedekking dat verzekeraars niet bereid waren de volle herbouwwaarde te verzekeren. Dat blijkt wel uit het feit dat ook bij een lagere maximale verplichting dan de volle herbouwwaarde er kennelijk niet voldoende verzekeraars te vinden waren om tot een volgetekende polis te komen. En dus ging het om de vraag of de uitleg van een loss limit in dit geval ook een andere betekenis zou kunnen hebben dan bij een 'gewone' premier-risquedekking.

Beursgebruiken

Het gerechtshof besluit deskundigen te raadplegen over de vraag of er in een situatie als deze vaste gebruiken zijn op de co-assurantiemarkt (beursgebruiken) over de uitleg van de loss-limitbepaling. Deze deskundigen raadplegen de opleiding Brandverzekeringstechniek van NIBE-SVV en komen tot de conclusie dat een dergelijk gebruik inderdaad bestaat. Maar de deskundigen geven ook aan dat dat gebruik geldt voor de klassieke situatie, waarin de volle herbouwwaarde veel hoger is dan het bedrag dat nodig is voor een nieuw en even functioneel gebouw. In een dergelijk geval is de door verzekeraars gegeven uitleg vast gebruik. Maar, zoals gezegd, in dit geval had het gebruik van de loss limit een andere achtergrond. Het gerechtshof stelt daarom vast dat voor de uitleg van deze bepaling in dit specifieke geval géén vaste gebruiken aan de beurs gelden. Het gerechtshof kan zijn oordeel dus bepalen op hetgeen partijen zijn overeengekomen en op de polisvoorwaarden.

Hoewel beursgebruiken hier dus juist géén rol spelen, toch even een tussenstapje. Beursgebruiken spelen wel vaker een rol en soms een beslissende rol bij de omvang van de verzekeringsdekking. En hoewel ik weet dat veel toonaangevende verzekeringsjuristen het niet met mij eens zijn, vind ik dat een eventueel beursgebruik in een geval als dit sowieso geen rol kan spelen. Het probleem van beursgebruiken is immers dat deze nergens vastliggen: het zijn 'gebruiken' en die staan niet op papier. Het zijn gebruiken die alleen bekend zijn bij professionele partijen op de assurantiebeurs (makelaars en verzekeraars) en zelfs die verschillen regelmatig van mening over de vraag wat wel en wat geen beursgebruik is. Maar voor een verzekerde zijn die 'beursgebruiken' onbekend. Ik heb het wel eens omschreven als 'voor een verzekerde mystieke gebruiken'.

Nu betekent dat niet dat ik geen betekenis toeken aan beursgebruiken, maar de betekenis behoort volgens mij beperkt te zijn tot op de co-assurantiemarkt geldende procedures. Zoals: behoort een makelaar die bij het opmaken van de polis iets toevoegt wat niet vooraf is afgesproken met verzekeraars deze verzekeraars daar uitdrukkelijk op te wijzen als hij de polis ter ondertekening voorlegt, of kan hij zich op het standpunt stellen dat verzekeraars de polis maar moeten lezen voordat zij deze ondertekenen? (En ja: de makelaar moet dat inderdaad doen.) Maar als het gaat om de inhoud van de polisvoorwaarden, ligt dat naar mijn mening anders. De verzekerde moet erop kunnen vertrouwen dat die inhoud (de verzekeringsdekking) niet wordt beïnvloed door gebruiken die hij niet kent en niet kan kennen. De verzekerde moet er - zeker in dit tijdperk van transparantie en duidelijke polisvoorwaarden - op kunnen vertrouwen dat de polisvoorwaarden die dekking bieden die bij een redelijke uitleg verwacht mag worden. In dat verband overigens: het 'vaste beursgebruik' dat de deskundigen aan het gerechtshof gaven over de uitleg van de loss limit-bepaling is dezelfde uitleg als buiten de co-assurantiemarkt geldt: het is de gewone uitleg van de werking van een premier-risquebeding. Zó staat het ook in de opleiding Brandverzekeringstechniek.

Ieder voor zijn aandeel

Bij een beurspolis tekent elke verzekeraar voor zijn aandeel. Dus voor het aandeel dat hij in het totale risico wil lopen. Hij krijgt - vanzelfsprekend - dus ook maar alleen zijn aandeel in de premie. Daar staat tegenover dat hij tot niet méér is verplicht dan zijn aandeel in de schade. Hij is nooit verplicht om bij te dragen aan het aandeel van een andere verzekeraar als die andere verzekeraar niet bereid of in staat is aan zijn verplichting te voldoen. (Dat 'niet bereid zijn' komt sporadisch voor, het 'niet in staat zijn' nog minder.)

De uitleg die de verzekerde aan de loss-limitbepaling geeft, komt er in feite op neer dat de maximale verplichting van elke verzekeraar afhankelijk is van de mate waarin de polis is volgetekend. In dit geval vindt hij dat de 12 verzekeraars, die samen 89,5 procent van het risico dekken, toch de gehele loss limit van 7.500.000 euro moeten betalen. Als de polis wél zou zijn volgetekend, dan zouden ook de verzekeraars die voor de resterende 10,5 procent zouden hebben getekend, hun aandeel van de 7.500.000 euro hebben moeten betalen. De uitleg van de verzekerde komt er dus op neer dat de maximale verplichting van elke verzekeraar niet alleen bestaat uit het percentage waarvoor hij heeft getekend, maar ook afhankelijk is van de vraag of de polis voor 10, 30, 89,5 of 100 procent is volgetekend. Dat is in strijd met het karakter van co-assurantie. Dat vindt het gerechtshof ook. De verzekerde beroept zich ter ondersteuning van zijn uitleg ook nog op een brief van zijn makelaar. Maar daar schiet hij niet zoveel mee op. Want, aldus het gerechtshof, even afgezien van de vraag of die brief de uitleg van de verzekerde wel ondersteunt: die makelaar kan niet spreken namens verzekeraars. De makelaar is immers de belangenbehartiger van de klant zelf; de makelaar spreekt niet namens verzekeraars. Verzekeraars zijn dus niet tot meer verplicht dan 89,5 procent van 7.500.000 euro.

Beursgebruiken spelen soms een beslissende rol bij de omvang van de verzekeringsdekking

Het rafelrandje

Het rafelrandje zit in het eigen risico. Voor zover ik kan zien is dat eigen risico tijdens de gehele procedure niet verder ter sprake gekomen. Dus heeft ook het gerechtshof zich daar niet over uitgelaten. Op zich begrijpelijk, want hoewel 5.000 euro best een behoorlijk bedrag is, is het op het geheel van deze schade klein bier. Maar toch is het jammer, want verzekeraars passen het eigen risico verkeerd toe. En die verkeerde toepassing hanteren verzekeraars wel meer. Ook in situaties die veel vaker voorkomen dan deze toch wat op zich staande casus.

Ik hoef u eigenlijk niet uit te leggen dat een eigen risico dat deel van de schade is, dat een verzekerde niet vergoed krijgt. Als u een eigen risico hebt van 5.000 euro en de schade bedraagt 4.000 euro, dan krijgt u niets vergoed. Daar is iedereen het over eens. En als u een schade hebt van 7.000 euro, dan krijgt u 2.000 euro vergoed. Tot zover geen probleem. Maar dat betekent dus dat een eigen risico inhoudt dat de eerste 5.000 euro van de schade niet wordt vergoed. En dat het eigen risico niet wordt afgetrokken van het verzekerde bedrag, maar van het schadebedrag. Dat schadebedrag was in dit geval boven de 10 miljoen euro. Trek daar 5.000 euro van af en het restant is (in dit geval) nog steeds boven de 10 miljoen euro. De in de polis vastgelegde verzekerde som is de loss limit van 7.500.000 euro. De maximale verplichting van verzekeraars is (even uitgaande van een volgetekende polis) dus 7.500.000 euro; niet 7.500.000 euro minus 5.000 euro. Verzekeraars maken hier de fout het eigen risico van het verzekerde bedrag af te trekken. Daar is geen enkel argument voor. Speelt dat vaak? Ja, best wel. Denk bijvoorbeeld aan de gemaximeerde dekkingen die in veel, ook particuliere, verzekeringsvoorwaarden zijn opgenomen. Bijvoorbeeld inboedelverzekeringen met een maximum voor geld en geldswaardige papieren en een ander maximum voor kostbaar­heden en elektronische apparatuur of reisverzekeringen met een maximale vergoeding voor fietsen, kostbaarheden, en dergelijke. Als die verzekeringen vervolgens ook een eigen risico kennen, dan gaat het vaak mis. Als het schadebedrag dan hoger is dan de toegezegde maximale vergoeding, wordt toch vaak het eigen risico van die maximale vergoeding afgetrokken. Ten onrechte dus. De meeste klanten realiseren zich dat niet.

Conclusie

Een niet-volgetekende beurspolis met een loss-limitbepaling en dan ook nog een miljoenenschade: er gaan dagen voorbij dat u er niet mee te maken hebt. Maar toch is een dergelijke casus vaak uiterst leerzaam.

WWW.VOOG.NL-118

Mr. I. (Dik) van Velzen

De auteur is senior programmamanager bij NIBE-SVV te Hilversum.

Andere artikelen: Editie 878 - oktober 2018

-->